Voorwoord

Het idee voor deze scriptie is in de zomer van 2007 uit verwondering ontstaan. Na een intensief propedeusejaar aan de afdeling Nederlandse taal en cultuur van de Radboud Universiteit Nijmegen had ik veel nieuwe kennis opgedaan, maar ik merkte ook dat één specifiek onderwerp onbelicht was gebleven. Als hiphop­liefhebber ben ik namelijk van mening dat mijn studierichting haar blikveld kan verruimen door de teksten en het taalgebruik van rappers te onderzoeken. Want hoe razendsnel rapmuziek zich de afgelopen jaren ook verspreid heeft, het is geen plotse, tijdelijke opwelling. Integendeel, de stroming kan zich bogen over een rijke historie en heeft intussen een vaste plaats in de muziekwereld ver­worven. Aangezien teksten een nadrukkelijke rol spelen in hiphop, is het interessant om het verschijnsel nu eens vanuit een letterkundig oogpunt te benaderen. [1]

Literatuur of niet?

Het stelselmatige gebrek aan aandacht voor dit onderwerp binnen de neerlandistiek is in mijn optiek niet alleen een gemis voor studenten, maar doet ook afbreuk aan de relevantie van het vakgebied als actuele discipline. Waarom richt de neerlandistiek zich wel op proza en poëzie maar niet op rap, terwijl dat verschijnsel internationaal al ruim dertig jaar en in de Nederlandse taal zeker twintig jaar bestaat? Waarom is Middel-Nederlandse oratuur nog steeds een gebruikelijker onderzoeksobject dan haar hedendaagse evenknie? Waarom blijft, met andere woorden, een van de actueelste onderwerpen binnen dit vakgebied tot op de dag van vandaag nagenoeg onbesproken? Zou het komen doordat neerlandici rap nog altijd niet als literatuur beschouwen?

Mocht dat inderdaad de oorzaak zijn, dan nodig ik degenen die dit argument aan­dragen met liefde uit om mij – onder het genot van een kop koffie – persoonlijk te ko­men uitleggen wat ze precies onder dat begrip verstaan. Overigens is zo’n ontmoeting, denkbeel­dig of niet, bij voorbaat tevergeefs; ze sluit aan bij een eeuwenoude, eeuwigdurende discussie, die als zodanig slechts uitwijst dat literatuur gewoonweg niet eenduidig valt te definiëren. Ondertussen is wél duidelijk dat een rapper zich evenzeer met teksten bezighoudt als een romancier of een dichter – ongeacht of hij zijn uitingen nu wel of niet onder de noemer van literatuur mag scharen.

Rap als onderzoeksobject

Tot mijn grote genoegen las ik destijds in het artikel ‘Onwetende student wil graag leren’ uit 2006, geschreven door mijn hoogleraar Jos Joosten en zijn Utrechtse en Am­sterdamse collega’s Geert Buelens en Thomas Vaessens, dat mijn verwondering over het enigszins gedateerde curriculum door een drietal vooraanstaande neerlandici ge­deeld wordt. [2] Met dit korte pleidooi reageren de auteurs op hun gereputeerde voorganger Kees Fens, die zich niet in de, naar zijn smaak, veel te eigentijdse aanpak van de drie nieuwbakken professoren kan vinden. Buelens, Joosten en Vaessens pleiten ervoor ‘zowel het literaire erfgoed als de belevingswereld van de studenten serieus te nemen’ en zijn daarom van mening dat in, bijvoorbeeld, een collegereeks over oraliteit door de eeuwen heen logischerwijs ‘ook de hiphophit “Watskeburt?!” van de Jeugd van Tegenwoordig’ aan bod behoort te komen. [3]

Hoewel ik die muziek nooit een warm hart heb toegedragen wekt de strekking van het betoog mijn belangstelling zonder meer. Natúúrlijk moeten hedendaagse tekstuele uitingen door letterkundigen onderzocht kunnen worden – zeker waar het een prominente kunstvorm als rap betreft. Naar aanleiding van bovengenoemd artikel heb ik Jos Joosten daarom benaderd met de vraag of het mogelijk is af te studeren op een aan hiphop gerelateerd onderwerp. Hij reageerde bevestigend, op voorwaarde dat zo’n scriptie hoofdzakelijk op teksten en hun werking gericht zou zijn. Enige tijd later bereikten we overeenstemming over het huidige scriptieonderwerp. Een studie naar avant-gardestrategieën van rappers biedt enerzijds de mogelijkheid om hiphop met andere kunstvormen te vergelijken en anderzijds om de stroming vanuit een sociologisch oogpunt te beschouwen. Aangezien de focus ligt op de rolbezetting zoals die binnen de hiphopwereld door middel van tekstuele uitingen gestalte krijgt, komt zowel de taal als de cultuur aan de orde, en daarmee doet de scriptie de naam van mijn afdeling – Nederlandse taal en cultuur – eer aan.

Hiphop vanuit een academisch perspectief

Toegegeven: het is niet moeilijk te verklaren waarom binnen de neerlandistiek nog maar zo weinig onderzoek naar hiphop is uitgevoerd. Het betreft hier een relatief jonge kunstvorm die pas gedurende de afgelopen decennia een noemenswaardige rol is gaan spelen. De meeste mensen van boven de dertig weten simpelweg niet zo bijster veel van hiphop af. Toch is de stroming al geruime tijd niet meer uit de (internationale) muziekwereld weg te denken. Bovendien onderscheidt ze zich van andere genres doordat ze een muzieksoort is waarin de tekst minstens zo belangrijk is als de muziek – en precies daarom leent de stroming zich voor letterkundig onderzoek.

In sociologisch opzicht is hiphop eveneens een interessant onderwerp. Op het eerste gezicht lijkt er niet zoveel verschil te bestaan tussen de wijze waarop auteurs zich profileren en de manier waarop rappers dat doen. De terminologie mag dan anders zijn – polemiek voeren wordt beef uitvechten genoemd, een unaniem als meesterwerk aanvaard album heet classic en volgens sommigen is de voordracht, de flow, belangrijker dan het tekstuele vernuft –, maar de principes zijn op z’n minst vergelijkbaar te noemen. [4] Een van de voornaamste doelen van deze afstudeerscriptie is dan ook om te onderzoeken of er parallellen zijn tussen de mechanismen die achter hiphop en achter andere vormen van cultuur schuilgaan.

Oriëntatie op een nieuw onderzoeksterrein

In bredere zin dient de scriptie nog een ander doel. Door binnen het kader van de moderne letterkunde op tekstinterne, kritische en sociologische aspecten van hiphop in te gaan, kan deze stroming (eindelijk) een serieus te nemen plaats in de literatuur­wetenschap gaan bekleden. Nu het taboe wordt doorbroken, is de weg namelijk vrij voor vervolgonderzoek door andere letterkundigen – en dat is een hele verademing, nadat mij een paar maanden terug ter ore kwam dat hiphop ná de wereldreligies de grootste subcultuur op aarde is. Of die bevinding nu wel of niet helemaal met de waarheid strookt, het mag duidelijk zijn dat op dit terrein genoeg onderzoek te verrichten valt.

Alles overziend heb ik het als stimulerend ervaren om de vaardigheden die ik tijdens mijn studie heb ontwikkeld, toe te passen op een onderwerp dat al zo lang zo dicht bij mezelf staat. Het geeft voldoening om een wetenschappelijk onderzoek naar hiphop en haar verschijningsvormen af te leveren en terugblikkend denk ik dat het een geslaagd project genoemd kan worden – maar vanzelfsprekend staat het een ieder vrij om hier anders over te oordelen. Het lijdt overigens geen twijfel dat ik er zonder de onvoorwaardelijke steun van mijn dierbare geliefden nooit in was geslaagd om deze studie te voltooien. Bedankt voor jullie aanwezigheid in mijn leven.

Maar genoeg erkentelijkheid voor nu. De tijd is rijp om in de sfeer van hiphop te ge­raken.

Let’s kick that shit.

Nijmegen, vrijdag 17 september 2010

Ga verder met de inleiding van mijn scriptie over hiphop.

Voetnoten

[1] Het wezenlijke verschil tussen rap en hiphop komt verderop aan de orde. Voor nu is slechts van belang dat hiphop en rapmuziek als synoniemen gebruikt worden om de muziek en de stroming als geheel aan te duiden, terwijl rap slechts betrekking heeft op het tekstuele (en vocale) aspect ervan.

[2] Buelens, Joosten en Vaessens 2006, p. 1-4

[3] Ibidem, p. 1 en 3

[4] Nauwkeuriger uitgedrukt is flow de manier waarop een rapper zijn woorden op het ritme – in hiphoptermen: de beat – plaatst. De beat is niets anders dan de muziek zonder de rap– de instrumental. Volgens velen gaat het erom dat de flow en de beat zo vloeiend mogelijk samensmelten. Verder worden in dit document de woorden album, plaat en full-length door elkaar heen gebruikt om naar een album te verwijzen.